Home / Stakeholders / Consultancy / ‘Administratieve ingreep nodig voor goede inhaalindexatie’

Momenteel wordt er nauwelijks nagedacht over inhaalindexatie, vertelt Rob van Leeuwen (Boardroom Consultants) aan Esther Gotink. Hij noemt dat riskant

Vraag een pensioenbestuurder naar het beleid ten aanzien van inhaalindexatie en het antwoord is tien tegen één: ‘Daar denken we nog niet aan, we zijn al blij als we weer kunnen indexeren.’ Begrijpelijk, maar deze grondhouding kan veel problemen opleveren, stelt Rob van Leeuwen.

“De manier waarop inhaalindexatie meestal wordt toegepast, is op het moment van toekenning álle rechten die voor indexatie in aanmerking komen te indexeren. Met de overgang van eind- naar middelloon worden nu ook de actieven inclusief nieuwe toetreders (met reserveoverdracht) geïndexeerd, waarmee te veel partijen profiteren van inhaalindexatie. Dat komt een fonds duur te staan.”

Van Leeuwen, werkzaam voor Boardroom Consultants en extern voorzitter bij Pensioenfonds Sportfondsen, stelt vast dat als in 2016 een doorsnee fonds de gemiste indexatie van 2009 zou toekennen, van elke euro 41 cent ten onrechte zal worden uitgekeerd. “Om dit beter te regelen is een administratieve ingreep nodig. En om daar ook nog eens goed over te communiceren, moet nóg meer werk worden verzet. Hierbij geldt: hoe eerder hoe beter, want straks ontbreekt de benodigde basisinformatie en kan het niet meer juist worden uitgevoerd.”

Veel fondsen kiezen volgens Van Leeuwen voor een vorm van inhaalindexatie omdat die hen helpt in de consistentie-eis. De wetgever stelt in artikel 95 eerste lid van de Pensioenwet dat de realisatie van een pensioenregeling consistent is met de gewekte verwachtingen. “Toon je als fonds de ambitie om pensioenen met inflatie uit te keren of te verhogen, dan moet je via een continuïteitsanalyse kunnen aantonen dat je dat in 70% van de gevallen ook daadwerkelijk doet als je dekkingsgraad op circa 120% ligt. Anders mag je die ambitie niet in je regeling opnemen.”

Er zijn vier manieren om uitgestelde in-dexatie te verlenen. De eerste vorm is dat je deze toekent aan iedereen die op het moment van uitstel recht had op indexatie. “Maar dat is niet uitvoerbaar omdat het betekent dat je ook moet uitkeren aan mensen die al vertrokken zijn, en dat zorgt voor enorme administratieve lasten.” De tweede vorm is toekenning aan iedereen die in het fonds zit op het moment dat de inhaalindexatie plaatsvindt, over de tot dan toe opgebouwde rechten. “Veel fondsen hebben dat, onbewust, zo geregeld maar reken eens na: als ik de indexatie van 2009 in 2016 zou willen inhalen, en ik heb de rijpingsgraad van een gemiddeld fonds, zeg 20, dan komt van elke euro die ik uitgeef aan indexatie 41 cent terecht bij mensen die hier geen aanspraak op hebben.” Daar komt nog bij dat indexatie nooit mag leiden tot een reservetekort. Als mensen die later toetreden worden meegenomen in de rekensom, wat meer geld kost, zal er dus minder snel gelegenheid zijn om een totale inhaalslag te maken – wat gepensioneerden dupeert.

Een derde variant is daarom de inhaalindexatie enkel toe te kennen aan deelnemers die op het moment van uitstel in het fonds zaten en nóg in zitten. “Dat houdt wel in dat je dan ook over de tussentijds opgebouwde rechten inhaalindexatie toekent, waardoor het fonds duurder uit is.”

De meest zuivere oplossing is volgens Van Leeuwen om de indexatie alleen aan mensen toe te kennen die indertijd in het fonds zaten en er nog zitten - en dan alleen over de rechten die ze hadden opgebouwd tot het moment dat hun toeslagverlening werd stopgezet.

Dat houdt in dat pensioenfondsen voor elke deelnemer precies moeten bijhouden wat de jaarlijks gemiste indexatie is. “Wie nu zijn administratie op orde brengt, bespaart straks duizenden, zo niet miljoenen.” Als rekensom neemt hij een fonds met een vermogen van €500 miljoen. Was in 2009 de gemiddelde indexatie van 2% niet toegekend, dan betekent dat een inhaalindexatie van omgerekend €10 miljoen. “Als je daarvan 41% ten onrechte uitkeert, verkwist je dus €4,1 miljoen. Voor dat geld kun je administratief gezien op voorhand redelijk veel regelen. Daar komt bij dat de meeste fondsen de indexatie van 2010 ook niet hebben toegekend.”

Volgens Van Leeuwen sta je als fonds ook communicatief sterker. “Als iemand uit een fonds treedt en overweegt zijn pensioenopbouw over te dragen, moet hij weten van welke mogelijke inhaalindexatie hij op dat moment afstand doet. Dat moet je als fonds communiceren”.

Rob van Leeuwen werkt bij het adviesbureau Boardroom Consultants en ondersteunt pensioenbesturen bij het vaststellen van hun missie en strategie. Hij is voorzitter van Pensioenfonds Sportfondsen en lid van twaalf visitatiecommissies. Van Leeuwen is medeoprichter van de sectie AFIR binnen het Actuarieel Genootschap, voor de bestudering van matching, ALM en immunisatievraagstukken van verzekeraars en pensioenfondsen.